Blog

Yohannes en het systeem

Introductie
Hier zal je lezen over een nieuwe groep die de Nederlandse publieke ruimte is komen bevolken. Ik heb ze leren kennen als een soort christenpunks. Sommige dan. Die met herkenbare kruizen om hun nek en op hun armen.
Open jezelf voor hun, als je kan.
Dat is niet hetzelfde als het eens zijn met wat ze allemaal doen.
Ik ken ongeveer niemand met wie ik het altijd eens ben of waar ik altijd achter sta wat hij of zij allemaal doet. Het zijn mensen. Ongeveer zo als jij en ik. Ze zijn niet ‘tegen ons’ misschien ook niet ‘voor’ ons. Ze zijn soms wel een beetje verdwaald in de grote wereld buiten hun klein, misschien her en der middeleeuws, land.
Zij die daar de afgelopen jaren vanuit zijn vertrokken zijn over het algemeen nog jong. Ze zullen een gedeelte van hun jeugd hier doorbrengen. Een aantal wellicht de rest van hun leven. Ze hebben nu – anno 2018 – niet veel keus. Ze vinden het hier niet persé heel leuk. Ook niet per definitie heel vervelend. Ze zijn blij dat ze leven en genoeg te eten hebben. En dat hebben ze in Nederland anno 2018 meestal. De dictator van Eritrea, Isaias Afwerki, laat ze werken als slaaf op het moment dat ze in dienst moeten. Ze komen niet meer uit dienst. De vaders en de ooms van de jongens die je ziet krijgen één maaltijd per dag, kunnen hun families niet onderhouden van de soldij.
Afwerki hongert ze uit, stopt ze onder de grond als ze proberen te ontsnappen. Net zoals ouderen die het niet met hem eens zijn, of hebben geprobeerd te vluchten.
Ze maken een ingewikkelde reis, vaak zonder ouders of ouderen voordat ze in Europa aankomen. Je weet eigenlijk niet precies wat die paar die je ziet op het station onderweg of slenterend door de stad of het dorp is overkomen. Dat hoef je ook niet te weten.
Praat niks goed. Maak het niet erger of minder erg dan het is. Geef ze het voordeel van de twijfel. Beschuldig niet. En voel je niet schuldig. En vraag niet van ze dat ze dankbaar zijn. Maak contact als je kan, als je durft. Op een dag loopt jou kind of jouw kinds kind misschien ook zo over straat in een vreemd land. Ik deed dat ook. Mijn omstandigheden waren makkelijker dan die van mijn Eritrese leerlingen en kennissen. Maar ook niet gemakkelijk.
Ik dank iedereen die mijn reis naar West-Afrika toen ik negentien en wat verloren was, makkelijker heeft gemaakt. Jullie hebben me de vreemdeling en het vreemdelingenschap leren begrijpen  Jij bent ook wel eens ergens vreemdeling. Zij moeten verder, en jij en ik ook.

Isaias Afwerki
Als je de betekenisloze klanken van een onbekende taal kon vatten in notenschrift dan zou Tigrinya een hoog oplopende riedeltje zijn van steeds langere klanken. Ti-Die-Dieieie. Maar misschien is dit wel de klank van het Tigrinya van een hele specifieke groep. Van de pubers die nu in Nederland zijn.
Die van de vele Eritrese jongens en meisjes die dictator Afwerki – what’s in a name – en zijn dienstplicht zijn ontvlucht en die met hun rastahaartjes en hippe kleren ook de Nederlandse openbare ruimte zijn komen opvrolijken. Ik heb ze de afgelopen anderhalf jaar mogen les geven en vind ze fascinerend.
Dat hoeft u niet te vinden. U bent waarschijnlijk geen antropoloog, zoals ik. Maar misschien ziet u ze wel of werkt u met ze. Ik schrijf over hen om hun zoektocht naar een ‘plek’ in Nederland – zoals ik die kan zien – met u te delen.
Om te laten zien wat zij voor ons kunnen betekenen. Het gaat over hen en ook over ons. Als een spiegel die de kijker en de bekekene tegelijk kan reflecteren.Ti-Die-Dieieie.
Als ik met de Filemons, Yonassen, Aarons, Abrahams en de Mulu’s praat – Eritreërs hebben vaak Bijbelse namen, dan appelleert er iets in mij aan mijn eigen lange reis door Afrika toen ik negentien en twintig was. Iets van je knapzak oppakken en al dan niet fluitend de paden op en de lanen in lopen. De jeugdige moed om in het onbekende te stappen. Wat daar verder ook is of speelt. Je bent jong. Veerkrachtig. Tie-die-die.
Die houding, op die manier contact maken met deze vaak wat ingewikkelde leerlingen, leverde me als docent en mens wat op. Misschien levert het inkijkje dat ik u hierin gun, u ook wat op.

Standplaats Vinexklas
Ik loop wat te heen en weren. Ik zoek naar zinnen in mijn hoofd en materialen om de klas te inspireren. De les begint over een half uur.
Er komt een kleine jongen de klas in lopen. Ik heb hem nog niet veel gezien. Rastahaar groeit in punten vanaf zijn schedel, zodat zijn hoofd op een ster lijkt. Hij doet er vast veel aan om ze in vorm te houden. Zijn kleren zijn ook verzorgd. Hij loopt meteen op me af en begint te praten in lange zinnen, achter elkaar door.
Af en toe is een flard te herkennen, waarschijnlijk bedoeld als Nederlands. Ik moet me inspannen om te begrijpen wat hij bedoelt. Het gaat over zijn vorige school en schoolboeken, meen ik. Ik vat het samen en vraag of wat ik zeg de lading dekt.
Hij heeft daar bijna geen tijd voor, praat door me heen. Een ballon die knapt , de woorden blijven er uit stromen. Ze moeten blijkbaar eruit, en ik wil hem helpen door te luisteren. Hij komt van een VMBO-school in de stad. Ik heb al meer Eritrese leerlingen gehad die dat traject hebben gevolgd. Het valt me op dat ze graag willen leren.. Deze Yohannes wil vooral contact met me.
In een vorige klas had ik een andere Eritrese leerling die hetzelfde traject had bewandeld. Hij had helemaal geen contact met de andere leerlingen. De eenzaamheid droop van hem af, golfde uit zijn blik. Hij probeerde contact met me te krijgen door te vragen of een bepaalde grammaticale verbuiging het gerundium was.
Waarom leren we deze kinderen Latijnse termen waarvan ik met mijn 6 jaar universiteit noot van heb gehoor en leren we ze geen contact maken met anderen? Tie-die-dieie. Kpah. Als Eritreërs boos zijn zeggen ze ‘Kpah’ en slaan ze met een vlakke hand op tafel.
De les begint, de computer moet aan, het materiaal opgezocht, klaargezet. Ik moet drinken halen, ik wil niet een klas toespreken met een droge mond.                                                                                                         “Kun je koffie halen met mijn kaart, een cappuccino met suiker voor mij? Je kunt zelf ook iets kiezen uit de automaat.” Zo vang ik twee vliegen in een klap, de woordenstroom is gestopt en ik krijg drinken. Dit ritueel gaat een paar dagen door. Yohannes zorgt dat hij vooraan zit, houdt mij de hele lesdag lang bijna angstvallig in het vizier. Als ik een stift zoek voor op het bord springt hij uit zijn bank om hem aan te geven. In het begin ben ik blij met deze hulp, ik ben een beginnende juf. Ik herken zijn hoffelijkheid uit mijn eerdere ervaring als reiziger en veldwerker in Afrika.
Als ik een zin half af heb, vult Yohannes hem al aan. Niet altijd adequaat, maar wel wakker, gemotiveerd Hij staat ‘aan.’ Alsof hij de lesstof een vloeistof is die hij zo snel mogelijk op wil drinken. Daar kunnen we wel meer van gebruiken in deze klas vol pubers. Ik heb er een aantal letterlijk zien slapen. Je slaapt niet altijd ’s nachts als je je ouders en broers of zusje heb moeten achterlaten en je niet weet wanneer je ze weer ziet. En of je ze weer ziet.
Aan het eind van de week begint Yohannes zijn betrokkenheid nog grotere vormen aan te nemen. Het liefst zegt hij met welke les we beginnen. Als ik een vraag stel aan de hele klas, komt hij altijd als eerste met een antwoord. Ik krijg er genoeg van.                                                                                                                      ‘Nu iemand anders, Yohannes!

Bureaucratie
Er ontstaat onrust in de klas. Veel leerlingen staan met een verkeerde begindatum van het schooljaar ingeschreven bij Duo. Ze moeten geld terugbetalen, hebben het niet meer. Het is een fout van de school, denk ik, maar dat weet ik niet. Die heeft ze misschien verkeerd geadviseerd. Maar misschien heeft een andere partij, ons wel weer geadviseerd. We moesten ze contracten laten ondertekenen aan het begin van het schooljaar. Ik ken het veld niet helemaal, de wetgeving in het onderwijs.
Ik voel met schuldig, medeplichtig. Is het nou echt nodig om ze het leven na alles wat ze hebben gehad nog zuurder te maken? Is het onontkoombaar?
Coördinator Paula komt de leerlingen vertellen dat er niks aan te doen is, maar dat de school ze zal helpen terugbetalen. Er is nog iets geprobeerd met DUO maar dat blijkt een ijzeren vesting. Een zoveelste voor hen onbegrijpelijke organisatie waar ze mee te maken hebben.
“Juf, wie betaald de school?” is een vraag die ik van ze krijg. Een gelegenheid om op het bord het belastingstelsel uit te leggen. Herverdeling van inkomsten. Onderwijs en zorg. Ik kan ze de details nog niet uitleggen, maar wel het principe. Ik kijk en check of ze het hebben begrepen.   Ze zijn stil, hangen aan mijn lippen. De slimste begrijpen het echt en leggen het de anderen uit. Tie-die-dieieie.
Even geen Nederlands maar wel essentiële kennis over de werking va een relatief rijk, georganiseerd land. Over het leven van alledag, uitgaande van wat ze wat ze zelf waarnemen. Als ik in de pauze op de gang sta te kopiëren komt Yohannes naast me staan. Hij kijkt wat schichtig om zich heen. Zo ken ik hem niet. ‘Kan ik Paula vertrouwen,’ vraagt hij. Ineens een korte zin, in glashelder en eenduidig Nederlands. Ik ben niet op de hoogte van de oplossing van het probleem met Duo. Ik krijg zie het beeld dat een heleboel jongens vermalen worden, niet tussen stenen, maar tussen computersystemen die niet op elkaar afgestemd zijn.
Heeft Paula de toestemming hiervoor rond, wat gaat ze doen als ze die niet krijgt? Wat kan ze doen als het niet lukt? Ik ken haar nog niet zo lang. Ik begrijp Yohannes niet, wat wil hij van me, wat zoekt hij? Ben ik nog iemand anders dan een docent? Zijn surrogaat moeder, zijn eigen is immers duizenden kilometers ver weg? Vind hij me leuk, wordt hij verliefd, zoals een meisje vroeger op haar skileraar? Hij is net achttien en ik twee-en-vijftig.
Is hij misbruikt onderweg? Er overkomt de Eritreërs de meest vreselijke dingen in Libië. Alsof hij zich aan me aanbiedt. Hij zal die aanhankelijk maar hebben geleerd van een dikke pedofiele Arabier. Ik schud het spookbeeld van me af.
‘Ja Yohannes, ik denk het wel. Als ze zegt dat school jullie gaat hepen met dat terugbetalen, dan denk ik echt dat ze dat wel gaan doen,’ stamel ik, niet helemaal zeker van mijn zaak, ik heb immers niets gehoord. Ik werk de associatie met veel mooipraterij uit mijn hoofd. Vertrouw. We zijn in Nederland. Rechtstaat en zo.
‘Ok, zegt Yohannes en loopt weg. De rol van adviseur die zijn eigen twijfels in slikt, ligt me slecht.
Hoe komt het dat deze jongen die me nu drie dagen kent me zo vertrouwt dat hij me deze vraag durft te stellen? Dat hij mijn antwoord vertrouwt? Straal ik zoveel eerlijkheid en betrouwbaarheid uit? Ben ik zijn baken, zijn boei, zijn reddingsboei?
Een paar dagen later maakt hij het me duidelijk. Hij vraagt me naar mijn kaart om koffie te halen, voor hem en voor mij. Ik bedank hem voor de koffie. Ik let erg op beleefdheidsvormen; de Eritrese leerlingen groeten en geven handen en wat zou het mooi zijn als ze dat bleven doen.
Ze zullen zich maar zo ver gaan inburgeren dat ze dit verliezen. Dan zijn wij en ‘zij’ en ‘wij’ verder van huis.
‘Ik hou van helpen oude mensen. Ik ga altijd stofzuigen bij mijn buren,’ zegt Yohannes met een grote gulle lach.
Mijn kwartje valt. Yohannes is niet verliefd op me, ik ben niet als een skilerares. En ook geen surrogaat moeder. Dat latste  misschien ook wel, maar dat gaat niet leiden tot ingewikkelde situaties.
Hij zal niet bij me op schoot gaan zitten.

Zijn houding naar mij past naadloos in een overlevingsstrategie van de reiziger in den vreemde. Ik deed dit ook toen ik 19 was. Ik glimlachte lieftallig en hielp. Universele beleefdheid. Met de hoed in de hand kom je door de ganse wereld.